Vingers van God
Een aantal jaren geleden kreeg ik twee telefoontjes. Het ene was van mijn dochter die destijds haar tweede baby verwachtte. Maoma, zoals ze me noemt, was gewenst bij de bevalling en we spraken we af dat ze tijdig zou bellen. De koffer stond al een tijdje klaar, dus toen het zover was kon ik snel vertrekken.
Na twee dagen bleek het toch loos alarm geweest te zijn en ik overwoog om terug naar huis te gaan.
Op dat moment kwam het tweede telefoontje. Mijn zus. Met het bericht dat een oom was opgenomen in het ziekenhuis. ‘Als je nog afscheid wilt nemen Ghata….’
En daar zat ik dan, letterlijk tussen geboorte en dood, niet goed wetend wat te doen. Bij de één was ik te vroeg, bij de ander kon ik niets meer betekenen.
Een heel scala aan gevoelens en gedachten gingen door me heen, maar het overheersende gevoel is onrust. Gewoonlijk leid ik mezelf dan af en word ik actief. Nu echter viel er niets te doen behalve wachten.
Een herinnering aan de laatste dagen met m’n eigen moeder kwam in gedachten. Ze was thuis en stervende. Daarvoor leefden we met de illusie dat we nog een kans hadden om de strijd tegen ziekte en aftakeling te winnen. Dat we het - met wat we deden - makkelijker maakten voor haar. Er brak echter een moment aan dat ik in diepe wanhoop mijn gevecht opgaf. Ik legde m’n hoofd neer bij haar en huilde. Ik die zo graag haar steun en toeverlaat had willen zijn. Die zo graag het wonder had willen bewerkstelligen met wat ik wist en kon. Ik huilde tot er geen tranen meer waren en al die tijd hield ze me vast.
Dit diepe dal van hopeloosheid bleek de poort naar werkelijke acceptatie. En het was deze acceptatie die ons uit tilde boven onszelf en boven de moeder-kind relatie die we hadden. Alles waarmee ik me ooit staande had gehouden, waarmee ik mezelf nuttig kon maken, waaraan ik m’n waarden ontleende viel weg. De strijd was verloren, er viel niets meer te zeggen, niets meer te doen. Het maakte me klein, heel klein. Wat overbleef was een diep besef van aanwezigheid en daarin, van een diep gevoeld samenzijn. Het was mama die me wakker maakte in dit besef. ‘Ach meisje’ zei ze me, terwijl we diep zuchtten. En ze ging verder: ‘Nu ben je bij me. Nu raak je me werkelijk aan. Nu zie je mij en niet je zieke moeder. Nu kunnen we samen verder. Nu heb je de Vingers van God leren kennen. Kom, houdt me vast terwijl ik ga’.
